Een klein kind meenemen naar je werk: iedereen doet het!
- Marnix

- 1 aug
- 12 minuten om te lezen

Rare titel… Klinkt onzinnig toch, om kleine kinderen mee te nemen naar je werk? Of het moet al zijn op een speciale familiedag, een keer per jaar, wanneer werknemers van sommige organisaties hun kinderen mee mogen nemen om eens op het werk van papa of mama te komen kijken.
Dit artikel gaat niet dáár over, maar over een heel ander fenomeen. Een fenomeen dat je waarschijnlijk wel herkent, ook al dacht je misschien niet direct aan kleine kinderen. Want in veel (ik denk zelfs alle) organisaties worden kleine kinderen meegenomen. Sterker nog: ze spelen soms een behoorlijk grote rol!
Het fenomeen dat ik zo dadelijk beschrijf heeft ontegenzeglijk impact op de werkvloer. Het kan vergaderingen behoorlijk beïnvloeden, samenwerking verwarrend laten verlopen en er in zijn extreemste vorm zelfs toe leiden dat mensen (tijdelijk) niet meer kunnen werken.
Straks de theorie, maar eerst een praktijkvoorbeeld.
Praktijkvoorbeeld

Een marketingteam heeft van de verkoopdirecteur (Mark) de vraag gekregen met een plan te komen voor een nieuwe reclamecampagne. Het team bestaat uit Tom (ontwerper), Gera (tekstschrijver) en Katya (projectleider). Mark heeft aangegeven het bijzonder op prijs te stellen als ze aan het einde van de dag een conceptversie aan hem kunnen sturen. Het is half zes - de meeste collega's zijn al vertrokken - en Tom en Katya willen eigenlijk wel naar huis. Ze vinden het te veel werk om het plan nu af te maken. Tom stelt voor: "Laten we nu stoppen en het morgen afronden. Dan heeft Mark het rond de middag." Katya vindt het een goed plan, maar Gera stribbelt tegen: "Kom op, we gaan toch niet falen in het zicht van de finish? We hebben hem horen zeggen dat hij het heel graag vandaag wil hebben. Misschien wil hij er vanavond al mee bezig!"
In de minuten daarna ontstaat een herhaling van zetten: Katya en Tom willen naar huis. Gera lijkt steeds beslister te worden: "Gaan jullie dan maar, dan maak ik het wel af zodat we vanavond een eerste concept kunnen sturen." Katya haalt haar schouders op en zegt: "Nou, als je daarvoor je avond wilt opofferen, ga je gang." Maar Tom vindt dit geen goede oplossing: "Samen uit, samen thuis. We zijn een team, dus je kunt het niet in je eentje afmaken." Katya probeert te bemiddelen: "Gera, het was toch een wens van Mark en geen eis? Als we het morgen afronden heeft hij het een paar uur later dan vanavond. Zou dat nou zo’n verschil maken?" Maar Gera houdt voet bij stuk: "Ik ben bang dat we Mark weer teleurstellen!" En emotioneel wordend vervolgt ze: "Laat mij het nu alsjeblieft afmaken, anders doe ik geen oog dicht vannacht." Tom reageert fel: "Gera, ga jij nu ook gewoon lekker naar huis. Je gezin wacht op je! Mijn gezin in ieder geval wél." Hij kijkt haar priemend aan: "We doen het samen of we doen het niet. Hoor je me!?" Katya kijkt hen beiden vol verbazing aan. "Wat doen jullie kinderachtig zeg! Hier heb ik geen zin in!" Ze draait zich om en loopt weg.
Wat gebeurt hier eigenlijk? Waarom zijn deze drie mensen op deze manier aan het discussiëren? Wat maakt Gera zo emotioneel? Wat drijft Tom om het per se samen te willen doen en hoe meent hij het recht te hebben Gera te commanderen? Heeft Katya gelijk als ze haar collega’s kinderachtig gedrag verwijt? En wat levert het haar op dat ze daarna zonder enig verder overleg wegloopt? Hoe komen ze hier uit?
Waarom doen we wat we doen?
Het vakgebied van de psychologie probeert onder andere mensen te helpen inzicht te krijgen in wat hen drijft om te doen wat ze doen, te zeggen wat ze zeggen en te voelen wat ze voelen. Ons brein wordt deels gevormd door wat we geërfd hebben van onze ouders (‘nature’). Een ander deel van ons denken en voelen wordt gevormd door onze opvoeding en door wat we hebben meegemaakt in ons leven, zowel in het verre verleden als in het heden (‘nurture’).
Al vanaf onze eerste levensjaren ontstaan basale patronen hoe we denken en voelen, hoe we de omgeving om ons heen ervaren, hoe we met anderen in onze omgeving omgaan etc. Enkele voorbeelden daarvan: als je als kind opgroeit in een gezin waarin veel spanningen bestaan (bijvoorbeeld tussen je ouders), heeft dat invloed op hoe je spanning en relaties ervaart, ook op latere leeftijd. Of als je als kind merkt dat je in geval van nood een beroep kunt doen op mensen om je heen, is dat een goede uitgangspositie om ook op latere leeftijd steun bij je naasten te kunnen zoeken.
Voor alle duidelijkheid: het is dus niet zo dat patronen uit je jeugd per definitie bepalen hoe je als volwassene je zult gedragen, maar het speelt zeker een grote rol: positief bijdragende patronen geven een fundament om op verder te bouwen, negatief bijdragende patronen kunnen door latere ontwikkelingen alsnog worden omgebogen.
Ik en mijn kleine ik
Het voorgaande maakt duidelijk: in ons brein zit een belangrijke afdruk van hoe onze wereld eruitzag toen we kind waren. Het kind dat veel spanning in het gezin van herkomst meemaakte - spanning waar het wel onder leed, maar niets aan kon doen - kan op latere momenten waarop er weer spanning is opnieuw zulke gevoelens van angst en onmacht krijgen. Tijdens het opgroeien en volwassen worden leren we allerlei nieuw gedrag aan waarmee we ‘volwassen gedrag’ kunnen vertonen. Maar oude gevoelspatronen kunnen daar nog steeds onder liggen. Die basale kern die we vanaf onze vroege jaren meedragen wordt wel ‘het kleine kind in ons’ of ‘het kleine ikje’ genoemd.

Ons brein is extreem goed in het leggen van verbanden. Als iets lijkt op wat je eerder meemaakte of voelde, kan je brein reageren met gedachten, gevoelens en
lichamelijke reacties die het toen heeft aangeleerd. Dat gebeurt in een ongelofelijk complex en razendsnel proces. Veel daarvan verloopt buiten ons bewustzijn. We weten dus lang niet altijd waarom we denken en voelen wat we denken en voelen.
Ons brein gebruikt eerder opgedane kennis en gevoelens in het heden. Dat betekent dus ook dat wat we in de eerste jaren van ons leven aanleerden een rol kan spelen in ons volwassen denken en voelen. Meestal reageren we gewoon passend op wat er nu gebeurt. Maar soms legt ons brein een link tussen iets in het volwassen heden en iets wat we eerder in ons leven meemaakten. Dan kunnen ook vroeg aangeleerde reacties en gevoelens zich opnieuw aandienen. In andere woorden: het ‘kleine ikje’ kan worden getriggerd.
Hoe herken je dat? Een mogelijke aanwijzing is dat je emotie/taalgebruik veel intenser is dan je op grond van de situatie zou verwachten. Heel boos, heel bang, heel bedroefd… Natuurlijk hoeft een sterke emotie niet te betekenen dat je kleine ikje wakker is geworden. Soms ís de situatie gewoon bedreigend, pijnlijk of onrechtvaardig. Maar als je achteraf denkt: ‘waar kwam dát nu vandaan?’, kan het de moeite waard zijn om je er in te verdiepen.
Voor we verder gaan met Katya, Tom en Gera is het goed op te merken dat ‘het kleine ikje’ niet alleen moeilijke gevoelens kan opleveren, maar ook zeer constructieve en passende gevoelens en gedachten. Een kind dat geleerd heeft dat het in geval van nood helpend is om hulp te vragen aan de mensen om hem heen, kan die basisveiligheid als volwassene ook toepassen wanneer hij in een noodsituatie terechtkomt. In de artikelen over ‘hechting’ is daarover uitgebreid geschreven. Hier vind je de pagina met artikelen over dat thema.
Doe niet zo kinderachtig!

Katya roept het letterlijk naar haar collega’s: ‘Doe niet zo kinderachtig!’ Zou ze beseffen dat ze daarmee eigenlijk wel de spijker op zijn kop slaat? Niet omdat Tom en Gera op dat moment letterlijk kinderen zijn, maar omdat oude kinderlijke patronen mogelijk een rol spelen. En hoe kunnen we haar eigen gedrag beschouwen? Wat gebeurt er bij haar waardoor ze zo’n oordeel uitspreekt en vervolgens zonder enig overleg wegloopt? Zou ook in haar ‘het kind wakker zijn geschud’…?
Een kijkje in hun breinen
Stel… (denk je even in)… stel dat dit de achtergrond van de drie teamleden zou zijn:
Katya komt uit een gezin waarin het verstandelijke centraal stond. Gevoelens waren ‘eng’ en als iemand al eens emotioneel was, werd dat gelabeld als ‘kinderachtig’ en ‘fout’. Een conflict werd nooit uitgepraat, maar eindigde doordat een van de deelnemers (stiekem boos…) wegliep. Katya heeft er nooit over nagedacht welke invloed die gezinscultuur op haar volwassen leven heeft.
Tom komt uit een gezin waarin ‘samen’ heel belangrijk was. Toms vader was tamelijk dominant. Als hij zich ergens aan ergerde, maakte hij zijn mening met stemverheffing duidelijk en duldde hij geen tegenspraak. Iets in je eentje doen was er meestal niet bij, want Toms ouders vonden het belangrijk dat je kon ‘samenwerken’. Toen Tom ooit alleen een ontbijtje voor Moederdag had gemaakt, kreeg hij op zijn kop. Het was misschien wel goed bedoeld, maar zijn ouders vonden het asociaal dat hij zijn broertjes en zusjes niet had laten meehelpen. Tom kijkt positief op zijn jeugd terug, ook al ziet hij wel dat er dingen anders hadden gekund.
Gera's moeder kwam uit een gezin waarin ze al heel vroeg de zorg over haar jongere broertjes en zusjes had gekregen, doordat haar eigen moeder (Gera’s oma) jong overleed en haar vader vooral moest werken. Gera’s moeder stond vaak onder spanning: ze kon het drukke gezinsleven eigenlijk niet aan. Als iets niet op tijd lukte of ze vond dat Gera en de anderen niet genoeg hielpen, kon ze huilend aan tafel gaan zitten met haar hoofd op haar armen. Dan zei ze bijvoorbeeld: "Jullie geven niet echt om me. Jullie doen alleen het minimale en zelfs dat alleen als ik opdracht geef. Wie helpt mij nu echt?" Toen Gera ooit een bestelling bij de bakker niet op tijd had opgehaald omdat ze laat uit school kwam, reageerde haar moeder woedend en bleef ze lang huilend haar beklag doen dat niemand luisterde als zij eens iets vroeg.

Je voelt vast wel aan dat hun gedrag in het gesprek dan opeens begrijpelijker wordt. De volwassen Gera wéét dat Mark gewoon hun verkoopdirecteur is en dat hij zijn vraag echt als een ‘wens’ had neergezet. Maar toen ze zich realiseerde dat ze hem mogelijk zouden teleurstellen, werd onbewust ook een oude angst geraakt: ‘zorg dat ik doe wat mama vraagt, want anders dreigt er gevaar’. Dat werd haar drive om nu door te willen gaan, zelfs als de anderen zouden stoppen. Bij Tom gebeurt intussen ook iets. Zijn overtuiging dat je alles samen doet wordt steeds dwingender, en zonder dat hij het in de gaten heeft gaat hij zelfs een beetje klinken als zijn vader. En Katya? Zij doet precies wat zij thuis zag gebeuren zodra emoties te dichtbij kwamen: ze noemt het kinderachtig en loopt weg. Op dat moment klinkt bij ieder van hen iets ouds mee.
Wat heeft een kind nodig?
Het constateren van deze patronen is niet het hele verhaal. Want wat helpt het nu écht als je begrijpt waarom deze mensen zeiden wat ze zeiden? Het zou heel helpend zijn als er op zo’n moment iets kon gebeuren waardoor het gesprek niet langer door oude patronen werd bepaald, maar weer terugkwam bij de werkelijkheid van dat moment: drie volwassen collega’s die samen een beslissing moeten nemen.
Wat zou jij doen op zo’n moment als je dit bij een collega zag gebeuren? Om daar een antwoord op te vinden kun je de vraag wat veranderen: wat zou jij doen als je een kind zag dat ergens heel bezorgd of bang voor lijkt te zijn? Zou je zeggen: ‘Doe niet zo kinderachtig, je hoeft toch niet bang te zijn!’? Of zou je iets anders zeggen? Iets waardoor het kind merkt: ik doe ertoe, ik mag er zijn, ook met mijn emoties.
Diezelfde erkenning kan een volwassene helpen om weer terug te komen in het hier en nu. Daarbij hoef je niet te weten waar de reactie van je collega precies vandaan komt. Het is meestal ook niet verstandig om voor de ander in te vullen: ‘Dit komt vast door je jeugd.’ Je kunt wel benoemen wat je ziet en daar voorzichtig een vraag over stellen. Een voorbeeld:
Tom zou kunnen zeggen: "Gera, ik merk dat dit veel met je doet. Ben je bang dat Mark teleurgesteld zal zijn als we het vanavond niet afmaken?"
Gera zou wellicht eerst verrast zijn, maar als ze daarna ontdekt dat het eigenlijk wel klopt, kan dat haar helpen om zich te uiten: "Ja, dat zie je goed. Eerlijk gezegd word ik bang als we Mark niet geven wat hij gevraagd heeft. Gek hè…?"
En daarna helpt het Gera natuurlijk niet als Tom of Katya zegt: "Ja, heel gek. Doe nu weer even normaal!" Wat wel zou kunnen helpen is bijvoorbeeld: "Ah… vervelend voor je. Dan snap ik ook beter waarom je het vandaag wilt afmaken. Maar zullen we ook even kijken naar wat Mark werkelijk heeft gevraagd? Misschien kunnen we hem gewoon bellen of een bericht sturen." Daarmee wordt haar gevoel niet weggewuifd, maar hoeft het ook niet te bepalen wat het hele team nu gaat doen.
Kortom: als je ‘kinderachtig’ gedrag tegenkomt helpt het om niet de veroordelende ‘ouder’ te worden (zoals Katya deed), maar om vanuit een volwassen houding je collega te ‘zien’. Dat betekent niet dat je alles goedvindt of dat de ander vanwege zijn emoties altijd zijn zin krijgt. Erkenning en begrenzing kunnen prima naast elkaar bestaan. En als vuistregel kan het helpen om te bedenken: wat zou een kind nodig hebben als het dit gedrag liet zien? Om daarna weer samen te kijken: wat is er nú werkelijk aan de hand en wat hebben we als volwassenen te doen?
Dus: een klein kind meenemen naar je werk: iedereen doet het!

Tot slot: iedereen neemt zijn ‘kleine kind’ mee naar het werk (en je snapt vast: niet alleen naar het werk, maar ook naar sport, naar de kerk enzovoort). Realiseer je dat bij jezelf en bij de mensen om je heen je hele ik een rol speelt. Dus ook dat deel van jou waarvan je jezelf misschien maar nauwelijks bewust bent: hoe je reageert op spanning, stemverheffing, deadlines en conflicten. Niet voor niets wordt in sommige teams bewust tijd genomen om iets van elkaars ‘gezin van herkomst’ te leren kennen. Doel is niet om ouders te veroordelen (dat helpt niemand), maar om beter te begrijpen hoe jij bent geworden wie je geworden bent. Als iemand zijn ‘echte’ kleine zoon of dochter zou meenemen naar het werk, zou je daar ook passend op willen reageren. Zo heeft ook het ‘onzichtbare’ kleine kind dat ieder meeneemt aandacht en erkenning nodig.
De realiteit is dat volwassenen met elkaar aan het werk zijn. Het zou ongewenst zijn als ‘kindgedrag’ de boventoon gaat voeren. Maar juist om te zorgen dat dát niet gebeurt, is het soms nodig de ‘kleine kinderen’ passende aandacht te geven. Een vriendelijk woord, een stukje meeleven, een geruststellende actie… En soms ook een rustige grens: ik begrijp dat dit je raakt, maar laten we nu samen onderzoeken wat er werkelijk nodig is.
Een laatste opmerking: deze theorie (want dat blijft het natuurlijk: een theorie die probeert de werkelijkheid begrijpelijk te maken) heeft als risico dat hij vooral op anderen wordt toegepast. Dan zetten mensen de bril op: ‘Wat zie ik hiervan bij mijn collega’s om mij heen?’ Voor je het weet heb je voor iedereen een verklaring. Probeer in plaats daarvan eens bij jezelf te beginnen. Wat zijn onderwerpen waar jij heel bezorgd van wordt? Waar voel je grote verontwaardiging bij? Wanneer ga je met alles in je proberen iets ‘te fixen’? Of wanneer word je woedend omdat een ander iets doet - of juist niet doet? En als je zo’n voorbeeld te pakken hebt: wat gebeurt er dan? Verval je in zelfverwijt (‘ik moet daarmee stoppen, het is een stomme houding’)? Schaam je je (‘ik ga zorgen dat niemand die kant van mij ontdekt’)? Of ga je keihard aan het werk om te voorkomen dat zoiets ooit nog gebeurt?
Stel jezelf dan eens de vraag: wat zeg je daarmee tegen het kind in jou? En als dat nog niets oplevert, neem dan eens een kind in gedachten van wie je houdt. Bedenk hoe je op dát kind zou reageren als het had meegemaakt wat jij hebt meegemaakt.
Wie in je omgeving zou je daar eens iets over kunnen vertellen, zodat dat kind in jou (misschien wel voor het eerst in vele jaren…) gehoord wordt?
Vervolg
Dit onderwerp is groter dan in één artikel past. Ik ga hier dus nog meer over schrijven. Vooral ook omdat ik in de afgelopen jaren veel mensen heb gesproken die hiermee worstelden en bij wie de erkenning voor hun kleine ikje zo vaak buiten beeld was gebleven, soms met zeer grote gevolgen in hun huidige leven.
Een vraag aan jou: als iets uit dit artikel je raakt of triggert, zou je mij dat willen laten weten? Of als er vragen zijn: stel ze alsjeblieft. Ik gebruik ze graag in een volgend artikel. Uiteraard anoniem en nooit zonder met jou af te stemmen. Alvast dank!
Je mailt me via contact@tussenikenjij.nl
Verantwoording gebruik van AI
Omdat tegenwoordig veel schrijfsels (te) veel door AI worden gemaakt een korte verantwoording hoe ik AI ingezet heb. Het artikel schrijf ik geheel zonder AI in een eerste versie. Vervolgens gebruik ChatGPT en Claude als kritische redacteur. Doordat ik veel artikelen al op die manier verwerkt heb is die virtuele redacteur verrassend goed ingewijd in het onderwerp waarover ik schrijf. Ik configureer de AI redacteur als tamelijk kritisch om te voorkomen dat er te vaak alleen maar (goed voelende) positieve reacties komen. De illustraties zijn deze keer gemaakt in een intensieve sessie met Claude.
Nog even iets belangrijks...
Vond je dit artikel het lezen waard? Deel het aub. Deze blog wordt bekender als jij daarin een handje helpt. Intussen komen er ook nieuwe lezers via Google zoekopdrachten, maar mond op mond reclame werkt nóg beter. Bedankt alvast als je wilt delen!
Delen kan heel simpel met de icoontjes hieronder naar Facebook, X, LinkedIN of als link die je bijv. kunt e-mailen.
Wil je updates per e-mail ontvangen als er een nieuwe blog is? Schrijf je dan hieronder in. Let op: de e-mails komen bij sommige mensen in hun map voor ongewenste-mail. Als je de afzender als 'vertrouwd' accepteert gebeurt dat niet weer.




Opmerkingen